De mens een wandelende
paradox. We zijn een kluwen aan emoties, verlangens en impulsen, zonder
vaste kern, en toch is er ook iets eigens, iets dat onze voorkeuren stuurt en
het ongewenste afweert. Alles is in verandering en dat geldt ook voor onszelf,
en toch streven we naar het onveranderlijke en tijdloze. We kunnen leven met
een scala aan stemmingen en meningen, en toch is er ook een passie voor
waarheid die klaarheid wil.
De logica van wensdenken:
opvatting X moet wel waar zijn, omdat anders (instantie/mens/het leven/god) Y slecht,
incoherent of onrechtvaardig zou zijn, met als verzwegen premisse dat dit laatste niet het geval kan of mag zijn. Ik heb nooit begrepen hoe mensen met een gezond verstand niet onmiddellijk het fantastische van een dergelijke,
conditionele redenering aanvoelen en, met enig nadenken, ook als illusoir inzien. Wie zijn wij om eisen aan de
werkelijkheid te stellen!
Met de dood op komst, blijft de vraag: hoe heb ik geleefd?
Naast de vele herinneringen aan mooie momenten en intense gebeurtenissen, is er
het verschil tussen spijt en jammer. Heb ik spijt ooit iets wél te hebben
gedaan terwijl ik het anders had gewild, of juist niet gedaan, terwijl het wel
kon? En wat was er jammer dat niet (of wel) is gebeurd? Over het laatste zal ik
me niet druk maken; het is niet anders, en wat ik niet kon of wist, kan ik
mezelf niet kwalijk nemen. Jammer heeft geen zin. Wat het eerste betreft: er is
maar weinig waar ik spijt van heb, en voor het meeste ervan heb ik me kunnen
verontschuldigen. Veruit het belangrijkste blijven evenwel de herinneringen die
ik koester.
Persoonlijke nieuwjaarswens: mijzelf laten veranderen door
omstandigheden, inclusief hetgeen ik zelf onderneem en creëer! Door te handelen
en door mij te engageren met wie en wat mij dierbaar is, zelf bijdragen aan
de omstandigheden die mij veranderen! En verder: leve het toeval! Moge mijn
leven, en de wereld, er over een jaar anders uitzien dan ik nu kan voorspellen!
Waarom zou je ná de avant-garde nog proberen om grenzen te verleggen met origineel werk?
Het verschil tussen recreatieve
kunst en filosofie, en creatieve: de
eerste actualiseert, herhaalt, bevestigt, houdt in stand; de tweede innoveert,
opent nieuwe perspectieven, begeeft zich op onontgonnen gebied, maakt andere
ervaringen mogelijk. Allebei waardevol en cultureel van belang; beide doen iets
anders.
Revisiting Kant (en Aristoteles):
Opvattingen verdienen geen respect; alleen mensen.
Ook godgelovigen wil ik blijven zien als mensen. Hun gelovig-zijn acht ik respectabel
in zoverre het hen helpt een menswaardig leven te leiden, zelf en met anderen.
Wat wil dat zeggen: iemand respecteren als mens? Wat is daarmee geïmpliceerd? Wat betekent het om iemand aan te spreken op z'n menszijn (in plaats van op hetgeen waarmee hij of zij zich identificeert)?
Wat wil dat zeggen: iemand respecteren als mens? Wat is daarmee geïmpliceerd? Wat betekent het om iemand aan te spreken op z'n menszijn (in plaats van op hetgeen waarmee hij of zij zich identificeert)?
God is liefde. Alleen
lyrische godsbewijzen zeggen me iets, niet over de godheid in kwestie, maar
over de mens die erin gelooft en zijn verlangens.
Mogelijkheidsdenkers bij hun ballen vatten, met de vraag wat
mogelijk is en wat werkelijk: hoeveel gedachte-experimenten heb je nog nodig om
te achterhalen wat ontologisch noodzakelijk is?
Metafysica heeft niets dan retorica om zichzelf te bewijzen.
Met ervaring of gezond verstand kom je er niet, noch met wetenschap.
De laatste grond van
alle dingen. Wat metafysici zoeken in de uiterste regionen van het denken,
is niet daar te vinden, maar in hetgeen aan alle denken voorafgaat! Wat zij zoeken ligt onder hun neus!
In het verleden heeft de Westerse filosofie denksystemen
voortgebracht, waarin alles in een coherent geheel werd ondergebracht en zijn
plaats gewezen (denk aan Aristoteles, Spinoza en Hegel), met de verwachting dat
een dergelijk geheel heil zou brengen voor degenen die het zich denkend zouden
realiseren. Al deze pogingen hebben schipbreuk geleden, en wel omdat teveel werd
verwacht van wát we denken. Denksystemen waarin alles wordt ondergebracht en
zijn plaats gewezen blijken existentieel irrelevant: zij maakten hun
heilsbelofte niet waar. Heeft daarmee filosofie, opgevat als wijsbegeerte,
afgedaan? Niet wanneer wat-we-denken wordt gerelateerd aan dat-we-denken.
Aandacht voor dit laatste relativeert het belang dat we hechten aan wát niet
allemaal gedacht kan worden, en maakt ruimte voor het meer-dan-denken (dat we
zijn).
Het uitbouwen en cultiveren van wat-we-denken kan zin hebben met het oog op systeemproblemen (bijvoorbeeld in het politieke domein); het heeft echter geen existentiële relevantie: de zinvraag wordt er niet door beantwoord, ook niet wanneer we tot het 'hoogst' denkbare geraken.
Het vruchtbaarste aanknopingspunt voor een nog radicalere kritiek van de menselijke rede en voor een voortgezette Verlichting is Kant’s onderscheid tussen ding-op-zich en ding-voor-ons. Dit onderscheid wordt sinds Kant doorgaans belachelijk gemaakt als niet ter-ter-zake-doend, of genegeerd als slecht geconcipieerd. Men heeft geprobeerd om het onderscheid ofwel te ‘overwinnen’ in een nog omvattender weten (Hegel c.s.), ofwel men meende het beter te weten, door alsnog een invulling te geven aan het ding-op-zich (Schopenhauer etc). In beide gevallen neemt men het onderscheid niet serieus. En misschien kwam de aanzet daartoe van Kant zelf. Hem ging het immers voornamelijk om wat we wél kunnen weten, met een focus op de wereld van het ding-voor-ons. De notie van het ding-op-zich serieus nemen veronderstelt een andere focus dan de vraag wat wij zeker kunnen weten.
Het uitbouwen en cultiveren van wat-we-denken kan zin hebben met het oog op systeemproblemen (bijvoorbeeld in het politieke domein); het heeft echter geen existentiële relevantie: de zinvraag wordt er niet door beantwoord, ook niet wanneer we tot het 'hoogst' denkbare geraken.
Het vruchtbaarste aanknopingspunt voor een nog radicalere kritiek van de menselijke rede en voor een voortgezette Verlichting is Kant’s onderscheid tussen ding-op-zich en ding-voor-ons. Dit onderscheid wordt sinds Kant doorgaans belachelijk gemaakt als niet ter-ter-zake-doend, of genegeerd als slecht geconcipieerd. Men heeft geprobeerd om het onderscheid ofwel te ‘overwinnen’ in een nog omvattender weten (Hegel c.s.), ofwel men meende het beter te weten, door alsnog een invulling te geven aan het ding-op-zich (Schopenhauer etc). In beide gevallen neemt men het onderscheid niet serieus. En misschien kwam de aanzet daartoe van Kant zelf. Hem ging het immers voornamelijk om wat we wél kunnen weten, met een focus op de wereld van het ding-voor-ons. De notie van het ding-op-zich serieus nemen veronderstelt een andere focus dan de vraag wat wij zeker kunnen weten.
No comments:
Post a Comment